Aqua-Planning-Schwalm

Inhoud

 

1. Naar een grenzeloze Swalm

2. Het waardevolle Swalmdal

3. Kansen voor de Swalm  

4. Van doel naar werkelijkheid

5. Resumè

6. Actueel

7. Persbericht

8. Contact

Figuren

Bijlage

3.  Kansen voor de Swalm

Voor het definiëren van te nemen maatregelen is het van belang om het in hoofdstuk 1 gestelde projectdoel (behoud en ontwikkeling van een natuurlijk, samenhangend en gevarieerd beekdallandschap met bijbehorende ecosystemen) nader uit te werken. Hierbij kunnen twee ambitieniveaus worden onderscheiden: het streefbeeld en het ontwikkelingsdoel.

Het streefbeeld van een beekdal kan worden gedefinieerd als de toestand van het watersysteem onder de huidige natuurlijke potenties van het beekdalecosysteem, dat wil zeggen zonder maatschappelijke en sociaal-economische beperkingen, maar met inachtneming van onomkeerbare menselijke ingrepen. Dit betreft dus een ideaalbeeld, het maximaal mogelijke herinrichtingsdoel.

Het ontwikkelingsdoel is een zo natuurlijk mogelijke toestand onder de gegeven maatschappelijke en sociaal-economische randvoorwaarden. Dit betreft dus een realistisch ontwikkelingsdoel waarbij de belangen van gebruikers en gebruiksfuncties worden meegewogen. Ook kunnen beperkingen aan de mate van natuurlijkheid en zelfregulatie worden opgelegd ten behoeve van behoud en/of ontwikkeling van biodiversiteit.

 

Streefbeeld stroomgebied

Het stroomgebied van de Swalm kent grote natuurlijke potenties door de talrijk aanwezige landschapsecologische gradiënten. Deze zorgen voor een grote variatie in abiotische omstandigheden en een goed uitgangspunt voor een grotendeels zelfregulerend systeem met een grote verscheidenheid in soorten en levensgemeenschappen. Het feit dat de dalbodem van de Swalm, in samenhang met grote bos- en natuurgebieden op het midden- en hoogterras (en in de toekomst in het Maasdal) een groot vrijwel aaneengesloten natuurgebied vormt, maakt een systeem mogelijk dat grotendeels door natuurlijke processen wordt gestuurd.

Zo biedt het gebied goede kansen voor beheer in grote begrazingseenheden. Begrazing is een van de sleutelprocessen bij de ontwikkeling van natuurlijke vegetatietypen. Ook de aanwezige kwel is een proces dat sturend werkt op de vegetatieontwikkeling. Bij beperkte kwel ontstaan natte bostypen; op plekken met sterke kwel wordt de bosontwikkeling juist onderdrukt ten gunste van riet- en zeggenmoerassen of gagelstruwelen. De lokaal aanwezige kwelstromen uit diepe pakketten bieden kansen voor levensgemeenschappen die extra kritisch zijn ten aanzien van de waterkwaliteit.

Conclusie: de abiotische en biotische omstandigheden bieden, met name op de dalbodem, voldoende potenties om grote eenheden te vormen waar natuurlijke processen als kwel, begrazing en overstroming de ontwikkelingsrichting bepalen.

Streefbeeld Swalm

De natuurlijke potenties van de Swalm zijn hoog door de relatief hoge stroomsnelheid en de deels vrij meanderende bedding. Dit biedt een uitstekende uitgangspositie voor de verdere ontwikkeling naar een natuurlijk beekecosysteem. Erosie- en sedimentatieprocessen zorgen voor substraat- en oeverdifferentiatie, meanderverplaatsing en bochtafsnijding. Dit biedt leefruimte aan typische beekorganismen als ijsvogel, otter en diverse stromingminnende vissen, macrofauna en waterplanten. De reeds aanwezige soortenrijkdom vormt hierbij een goede basis voor een verdere ontwikkeling.

De periodieke overstromingen van de Swalm beïnvloeden de vegetatiesuccessie door ontworteling van bomen (foto), bedekking met sediment, de aanvoer van zaden en van nutriënten.

Voor het typeren van het streefbeeld voor de Swalm wordt hier gebruik gemaakt van de systematiek van het Landesumweltamt Nordhrein-Westfalen: ‘Leitbilder für kleine bis mittelgrosse Fliessgewässer’, alsmede de systematiek van de Stowa: ‘Ecologische beoordeling en beheer van oppervlaktewater’.

Volgens het Duitse systeem (LUA, 1999) behoort de Swalm tot de ‘Fliessgewässer der Niederungen’ (laaglandbeken). Dit type is in Nederland en NRW niet meer in natuurlijke vorm voorhanden.

In het systeem van de Stowa (1992) worden de stromende wateren ingedeeld op basis van de macrofaunasamenstelling. Volgens dit systeem behoort de Swalm grotendeels tot de laaglandserie (middenloop).

Bij de overgang van middenterras naar laagterras (ter hoogte van Swalmen) heeft de Swalm meer het karakter van een heuvellandbeek (middenloop).

De Teutebeek en Eppenbeek hebben het karakter van een laaglandbeek (bovenloop).

 

Ontwikkelingsdoel stroomgebied

De ontwikkelingskansen van het streefbeeld voor het stroomgebied van de Swalm (grote eenheden natuurgebied waar natuurlijke processen als kwel, begrazing en overstroming de ontwikkelingsrichting bepalen) worden bepaald door maatschappelijke en sociaal-economische factoren en door te maken keuzen vanuit het (natuur)beleid. Deze zijn voor een dergelijk groot gebied niet in het kader van deze beknopte rapportage te beschrijven. Wel kan hier worden verwezen naar het Grensoverschrijdend ecologisch basisplan Maas-Swalm-Nette (Werkgroep GEB MSN, 1994), waarin voor het grootste deel van het stroomgebied een functionele indeling is gemaakt op basis van de volgende uitgangspunten: beschermen en optimaliseren van bestaande landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden; verhogen van de ecologische waarden van agrarische gebieden; natuurontwikkeling gebaseerd op de potentieel natuurlijke vegetatie, de voor het gebied kenmerkende fauna en historische referentiebeelden.

De functionele indeling gaat uit van gebieden met een natuurfunctie enerzijds en multifunctionele gebieden anderzijds. Gebieden met als primaire functie natuur liggen op de dalbodem van de Swalm, in het Maasdal en ter weerszijden van de belangrijkste terrasranden. De overige gebieden (buiten de bebouwings- kernen) zijn multifunctionele gebieden (natuur, landbouw en bosbouw), onder te verdelen in bossen, landbouwgronden en gebieden met extensief landbouwkundig gebruik als buffer rond natuurgebieden.

Klik op de figuur om te vergroten

 

Ontwikkelingsdoel Swalm

De Swalm is in deze visie een vrij meanderende beek, waarin spontane hydrodynamische processen leiden tot een grote variatie in beddingvormen, substraat, stroomsnelheid en begroeiing binnen het beekprofiel. Over het lengteprofiel gezien zijn er geen onnatuurlijke wisselingen in stroomsnelheid en waterdiepte, zodat de kenmerkende stromingminnende macrofauna en vissoorten ongehinderd kunnen migreren. Barrières als (molen)stuwen zijn niet meer aanwezig of passeerbaar gemaakt. Ook de Teutebeek en Eppenbeek hebben waar mogelijke een natuurlijke bedding zonder barrières.

De relatief hoge stroomsnelheid en de aanwezigheid van oeverbegroeiing zorgen voor een hoog zelfreinigend vermogen. In deze visie passen geen ongezuiverde lozingen meer. Riooloverstorten vinden slechts onder zeer extreme neerslagomstandigheden plaats. Waar mogelijk wordt stedelijk water gescheiden afgevoerd, gebufferd, gezuiverd en geïnfiltreerd.

In de brongebieden langs de Swalm en de zijbeken is de sponsfunctie van de bodem hersteld en wordt het (kwel)water gedoseerd afgegeven, zodat een redelijk constante basisafvoer wordt gegarandeerd. Door retentie van neerslag in brongebieden en in overstromingszones langs de Swalm neemt de wateroverlast in de benedenloop en in de Maas enigszins af. Lokale water- en modderoverlast als gevolg van bodemerosie is bij de bron aangepakt.

De dalbodem van de Swalm kent over de gehele lengte hoge grondwaterstanden (foto), waardoor grondwaterafhankelijke ecosystemen zich optimaal kunnen ontwikkelen. De afwatering van de dalbodem is hierop afgestemd. Hierbij hoort ook een natuurlijk lengteprofiel in de Swalm. Dit wordt gerealiseerd door het zoveel mogelijk vrijlaten van natuurlijke beddingprocessen, waar nodig gestimuleerd door waterbouwkundige ingrepen.

 

 

Op de dalbodem (en aan de voet van de terrasranden) liggen op regelmatige afstanden permanent waterhoudende poelen met flauwe oevers (afgesneden meanders (foto), laagtes met kwelwater, wortelkuilen als gevolg van boomworp) voor organismen van stilstaande wateren, met name macrofauna en herpetofauna. Gebiedsvreemde, milieubelastende elementen, zoals stortplaatsen, zijn waar mogelijk gesaneerd. De dalbodem en oevers van de waterlopen bieden voldoende beschutting voor de migratie van (semi-)terrestrische organismen. Barrières voor deze soorten, zoals bruggen en duikers zonder doorlopende oever, zijn passeerbaar gemaakt.

 

 

 

 

Kansen voor een grenzeloze Swalm

Dit ontwikkelingsdoel geldt als doel voor de langere termijn. Het realiseren zal stapsgewijs plaatsvinden, waarbij de op korte termijn geldende maatschappelijke en sociaal-economische randvoorwaarden bepalend zijn voor de voortgang.

De eerste stap bestaat uit achttien maatregelen die in het kader van het project Aquaplanning Swalm worden voorbereid of uitgewerkt. De selectie van deze achttien deelprojecten is geschiedt door de samenwerkende waterbeheerders en is gebaseerd op een kosten-batenanalyse en op een inschatting van de maatschappelijke haalbaarheid. In het volgende hoofdstuk worden de achttien deelprojecten nader beschreven.

Terug naar begin hoofdstuk