![]() |
||||||
|
Aqua-Planning-Schwalm |
||||||
|
Inhoud
|
||||||
|
|
2. Het waardevolle Swalmdal Bodem en water als basis Het dal van de Swalm ontleent zijn natuurwetenschappelijke waarde mede aan de geologische en geomorfologische opbouw van het landschap en de bijzondere waterhuishouding die hiervan het gevolg is. De beek heeft zich ingesneden in een reeks rivierterrassen van Maas en Rijn. Deze terrassen zijn opgebouwd uit overwegend voedselarme, grofzandige en grindige afzettingen. Het regenwater dat op de hogere terrassen infiltreert komt deels op de lagere terrassen weer als kwel aan de oppervlakte. Met name waar de Swalm of een van de zijbeken deze terrassen aansnijdt en aan de rand van de terrassen zijn kwellokaties en concentraties van bronnen. Met name hier zijn bijzondere vegetatietypen te vinden. Het water uit de bronnen en kwelgebieden komt uiteindelijk via zijbeken en -stroompjes in de Swalm terecht.
In het gehele stroomgebied, maar met name in de bovenloop, nemen de kwelstromen sterk af. Dit wordt veroorzaakt door drinkwaterwinning, ontwatering van landbouwgebieden en in toenemende mate door het oppompen van grondwater om de Duitse bruinkoolgroeven droog te houden. Ook enkele bronnen van de Swalm zijn hierdoor drooggevallen. De afvoer van de Swalm wordt nu op peil gehouden door gezuiverd water uit de groeven in de zijbeken te brengen.
Biotoop zuidelijk van Venekotenbeek
De Swalm als levensader van het stroomgebied
Klik op de figuur om te vergroten In Nederland overbrugt de Swalm een hoogteverschil van 14 m met een gemiddeld beekverhang van 1,15 m/km.
Benedenloop en monding Swalm
Verspreid over het stroomgebied zijn diverse lokaties waar de oorspronkelijke beekdalmorfologie is aangetast door graafwerkzaamheden of de stort van afval. Met name ten westen van Swalmen zijn in het verleden delen van de dalbodem volgestort, inclusief bronnen en zijbeekjes.
Hierdoor neemt de afvoer van de Swalm in de richting van de monding geleidelijk toe. Bij het meetstation in Swalmen bedraagt de gemiddelde afvoer 1,8 m3/s over de periode 1985-1997. In deze periode was de maximale afvoer 5,8 m3/s en de minimale 0,55 m3/s. In de 70er jaren zijn afvoeren voorgekomen tot meer dan 15 m3/s, maar ook extreem lage afvoeren van minder dan 0,5 m3/s. De lage afvoeren komen doorgaans alleen in de zomer voor; de piekafvoeren kunnen het gehele jaar door optreden als gevolg van onweersbuien of perioden met langdurige neerslag. In de trajecten met een redelijk natuurlijke beekmorfologie treedt al bij een kleine verhoging van de afvoer plaatselijk overstroming van de dalbodem op. Bij nog hogere afvoeren zijn vaak grote delen van de dalbodem overstroomd. Bij hoogwater op de Maas kan tot in Swalmen het beekwater worden opgestuwd. Overstromingen zijn natuurlijke, dynamische processen die sturend zijn voor de ontwikkeling van de beekmorfologie en de vegetatie op de dalbodem. De stroomsnelheid in de Swalm is relatief hoog, waardoor de beek aantrekkelijk is voor stromingminnende organismen. Van nature wordt de stroomsnelheid bepaald door de hoeveelheid water, het beekverhang, de vorm van het dwarsprofiel en de ruwheid van de bedding die ondermeer afhankelijk is van de hoeveelheid waterplanten. Dit betekent meestal dat de stroomsnelheid in de richting van de monding afneemt. Door menselijke ingrepen wijkt de Swalm op verschillende plaatsen af van dit patroon.
De stuw in Nederland dient om enkele door de Swalm gevoede recreatievijvers op peil te houden. Ook in de zijbeken zijn stuwen aanwezig. Deze hebben veelal een landbouwkundige functie om het (grond)waterpeil te reguleren. In de Eppenbeek dient een stuw om een kasteelgracht op peil te houden. De stuwen leiden ertoe dat het water over een lengte van tientallen tot honderden meters aanzienlijk langzamer stroomt en dat (trekkende) vissen zich niet over de gehele beek kunnen verplaatsen.
Stuw bij het zwembadcomplex
Kasteelgracht Hillenraedt Een en ander leidt tot een matige waterkwaliteit met frequente overschrijdingen van de normconcentraties voor fosfaat, stikstof, zware metalen en vaak ook voor lindaan en pentachloorfenol. Ondanks de matige kwaliteit van het water en ook van de waterbodem is het dierenleven in de Swalm redelijk divers en overwegend goed ontwikkeld. De macrofauna, kwaliteitsindicator bij uitstek, geeft voor de laatste decennia een geleidelijke verbetering van de kwaliteit aan. De soortensamenstelling wijst echter plaatselijk nog op een onvoldoende kwaliteit van het bodemsubstraat, doordat het slibgehalte te hoog is. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door het neerslaan van fijn materiaal afkomstig van de riooloverstorten, van de trajecten waar de beekbodem uitschuurt en van bodemerosie op hellingen grenzend aan de Swalm. Dit laatste aspect speelt met name in de omgeving van Lüttelforst.
Beekforel Het voorkomen van stromingminnende soorten als beekforel, barbeel, kopvoorn, serpeling, winde, rivierdonderpad, bermpje, riviergrondel en alver wijst op in het algemeen goede stromingseigenschappen. Niet alle trajecten zijn even geschikt voor deze soorten. Voor sommige soorten zijn de waterkwaliteit en -temperatuur niet optimaal. voor andere is plaatselijk de stroomsnelheid te laag of te hoog, het substraat te zand- en slibrijk of is er te weinig beschutting in de vorm van waterplanten.
De rijke visstand, het redelijk heldere water, de aanwezige steile buitenbochten en overhangende takken maken de Swalm tot een goed leefgebied voor de ijsvogel. Ook de grote gele kwikstaart, eveneens een typische beekvogel, komt langs de Swalm voor, hoewel in aantal sterk achteruitgegaan. Dat de Swalm onderdeel is van een redelijk goed functionerend ecosysteem is blijkt ook uit het voorkomen van een soort als de waterspitsmuis en uit waarnemingen van otter- en beversporen.
|
|||||