Aqua-Planning-Schwalm

Inhoud

 

1. Naar een grenzeloze Swalm

2. Het waardevolle Swalmdal

3. Kansen voor de Swalm  

4. Van doel naar werkelijkheid

5. Resumè

6. Actueel

7. Persbericht

8. Contact

Figuren

Bijlage

2.  Het waardevolle Swalmdal                 

Bodem en water als basis

Het dal van de Swalm ontleent zijn natuurwetenschappelijke waarde mede aan de geologische en geomorfologische opbouw van het landschap en de bijzondere waterhuishouding die hiervan het gevolg is. De beek heeft zich ingesneden in een reeks rivierterrassen van Maas en Rijn. Deze terrassen zijn opgebouwd uit overwegend voedselarme, grofzandige en grindige afzettingen. Het regenwater dat op de hogere terrassen infiltreert komt deels op de lagere terrassen weer als kwel aan de oppervlakte. Met name waar de Swalm of een van de zijbeken deze terrassen aansnijdt en aan de rand van de terrassen zijn kwellokaties en concentraties van bronnen. Met name hier zijn bijzondere vegetatietypen te vinden.

Het water uit de bronnen en kwelgebieden komt uiteindelijk via zijbeken en -stroompjes in de Swalm terecht.

In het grootste deel van het stroomgebied is sprake van lokale kwel: het grondwater heeft een relatief korte route door de bodem afgelegd. Plaatselijk is echter sprake van regionale kwel die zich kenmerkt door vrij hoge concentraties opgeloste mineralen. Dit is met name het geval ten westen van Swalmen, waar de Swalm dicht bij de Peelrandbreuk ligt, een breukvlak tussen de aardschollen van de Peelhorst en de Roerdalslenk. Hier komt water aan de oppervlakte dat honderden jaren oud is. Dit maakt de ontwikkeling van soortenrijke broekbossen, zeggenmoerassen en dotterbloem- hooilanden mogelijk.

In het gehele stroomgebied, maar met name in de bovenloop, nemen de kwelstromen sterk af. Dit wordt veroorzaakt door drinkwaterwinning, ontwatering van landbouwgebieden en in toenemende mate door het oppompen van grondwater om de Duitse bruinkoolgroeven droog te houden. Ook enkele bronnen van de Swalm zijn hierdoor drooggevallen. De afvoer van de Swalm wordt nu op peil gehouden door gezuiverd water uit de groeven in de zijbeken te brengen.

De snelle ontwatering van landbouwgebieden door sloten en zijbeken leidt naast verdroging van nabijgelegen natuurgebieden tevens tot een grotere belasting van de Swalm en de Maas tijdens hoogwaterperioden.

 

 

 

Biotoop zuidelijk van Venekotenbeek

 

De Swalm als levensader van het stroomgebied

De Swalm heeft een stroom- gebied van circa 277 km2 waarvan 26 km2 in Nederland. De beek heeft van de bron tot de monding in de Maas een lengte van circa 43 km, waarvan 12,2 km in Nederland. In Duitsland is het hoogteverschil bijna 60 m: van 85 m bij de bron naar 26,3 m bij de grens, leidend tot een gemiddeld beekverhang van 1,9 m/km.

Klik op de figuur om te vergroten

In Nederland overbrugt de Swalm een hoogteverschil van 14 m met een gemiddeld beekverhang van 1,15 m/km.

Grote delen van de beneden- en bovenloop kennen een nagenoeg natuurlijk meanderend karakter. Hier is het beekprofiel sterk wisselend met flauwe binnenbochten en tot drie meter hoge buitenbochten. Op de dalbodem liggen diverse oude meanders, ontstaan door spontane geulverlegging.

 

 

 

                                                                                                             

                                                                                                          Benedenloop en monding Swalm  

 

Het middengedeelte tussen Brüggen en de grens is in de jaren 1920-1930 grotendeels gekanaliseerd. Naast een onnatuurlijke beekmorfologie heeft dit geleid tot een sterke bodemerosie, tot 60 cm verdieping in 15 jaar. De rechte bedding in de laatste 600 m voor de monding in de Maas is ontstaan bij een bochtafsnijding van de Maas ten behoeve van de scheepvaart.

Verspreid over het stroomgebied zijn diverse lokaties waar de oorspronkelijke beekdalmorfologie is aangetast door graafwerkzaamheden of de stort van afval. Met name ten westen van Swalmen zijn in het verleden delen van de dalbodem volgestort, inclusief bronnen en zijbeekjes.

 

De belangrijkste zijbeken zijn de Beeckbach, de Mühlenbach, de Knippertzbach, de Kranenbach, de Elmpterbach, de Eppenbeek (foto) en de Teutebeek. Ook hierin liggen diverse trajecten met een onnatuurlijke beddingmorfologie. De zijbeken ontvangen hun water vanuit bronnen, kwel en oppervlakkig afstromende neerslag.

Hierdoor neemt de afvoer van de Swalm in de richting van de monding geleidelijk toe. Bij het meetstation in Swalmen bedraagt de gemiddelde afvoer 1,8 m3/s over de periode 1985-1997. In deze periode was de maximale afvoer 5,8 m3/s en de minimale 0,55 m3/s. In de 70er jaren zijn afvoeren voorgekomen tot meer dan 15 m3/s, maar ook extreem lage afvoeren van minder dan 0,5 m3/s. De lage afvoeren komen doorgaans alleen in de zomer voor; de piekafvoeren kunnen het gehele jaar door optreden als gevolg van onweersbuien of perioden met langdurige neerslag.

In de trajecten met een redelijk natuurlijke beekmorfologie treedt al bij een kleine verhoging van de afvoer plaatselijk overstroming van de dalbodem op. Bij nog hogere afvoeren zijn vaak grote delen van de dalbodem overstroomd. Bij hoogwater op de Maas kan tot in Swalmen het beekwater worden opgestuwd. Overstromingen zijn natuurlijke, dynamische processen die sturend zijn voor de ontwikkeling van de beekmorfologie en de vegetatie op de dalbodem.

De stroomsnelheid in de Swalm is relatief hoog, waardoor de beek aantrekkelijk is voor stromingminnende organismen. Van nature wordt de stroomsnelheid bepaald door de hoeveelheid water, het beekverhang, de vorm van het dwarsprofiel en de ruwheid van de bedding die ondermeer afhankelijk is van de hoeveelheid waterplanten. Dit betekent meestal dat de stroomsnelheid in de richting van de monding afneemt. Door menselijke ingrepen wijkt de Swalm op verschillende plaatsen af van dit patroon.

Zo zijn in de Swalm 12 stuwen aanwezig, waarvan 11 in Duitsland. Deze zorgen voor opstuwing van de beek voor enkele oude watermolens, waarvan sommige nog werken, zoals de Brüggener Mühle op de video. Stroomafwaarts van de Mühlrathermühle bij de Hariksee leidt het periodiek gebruik van het molenrad tot een fluctuatie in afvoer en waterpeil die tot in Swalmen merkbaar is.

De stuw in Nederland dient om enkele door de Swalm gevoede recreatievijvers op peil te houden. Ook in de zijbeken zijn stuwen aanwezig. Deze hebben veelal een landbouwkundige functie om het (grond)waterpeil te reguleren. In de Eppenbeek dient een stuw om een kasteelgracht op peil te houden.

De stuwen leiden ertoe dat het water over een lengte van tientallen tot honderden meters aanzienlijk langzamer stroomt en dat (trekkende) vissen zich niet over de gehele beek kunnen verplaatsen.

Een onnatuurlijke stroomsnelheid komt ook voor in de genormaliseerde trajecten, zoals in het gedeelte Brüggen-grens. In de laatste 600 m voor de monding in de Maas is de stroomsnelheid zeer laag. In het centrum van Swalmen is juist sprake van een hogere stroomsnelheid dan van nature als gevolg van een versmalde en deels vastgelegde bedding. Ook dit vormt een migratiebarrière voor bepaalde beekbewoners.

                                                                                                                       Stuw bij het zwembadcomplex    

 

Bij intensieve neerslag treden in de dorpen langs de Swalm en haar zijbeken de riooloverstorten in werking. Het overtollige regenwater komt dan, vermengd met rioolwater in de beek terecht, wat de waterkwaliteit niet ten goede komt. Ook vindt belasting plaats door de rioolwaterzuiveringsinstallaties van Wegberg en Erkelenz. Een andere bron van verontreinigingen is overbemesting en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de aangrenzende landbouwgebieden.

Kasteelgracht Hillenraedt

Een en ander leidt tot een matige waterkwaliteit met frequente overschrijdingen van de normconcentraties voor fosfaat, stikstof, zware metalen en vaak ook voor lindaan en pentachloorfenol.

Ondanks de matige kwaliteit van het water en ook van de waterbodem is het dierenleven in de Swalm redelijk divers en overwegend goed ontwikkeld. De macrofauna, kwaliteitsindicator bij uitstek, geeft voor de laatste decennia een geleidelijke verbetering van de kwaliteit aan. De soortensamenstelling wijst echter plaatselijk nog op een onvoldoende kwaliteit van het bodemsubstraat, doordat het slibgehalte te hoog is. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door het neerslaan van fijn materiaal afkomstig van de riooloverstorten, van de trajecten waar de beekbodem uitschuurt en van bodemerosie op hellingen grenzend aan de Swalm. Dit laatste aspect speelt met name in de omgeving van Lüttelforst.

Ook enkele vissoorten ondervinden nadelen van de slibrijke bodem. Met name de soorten die op grindbanken (zie video) hun eieren afzetten. Desondanks is de visstand in de Swalm uiterst gevarieerd met diverse (voor Nederland) zeldzame soorten. In de jaren 90 zijn in de Nederlandse Swalm 27 verschillende soorten aangetroffen. Van de meeste soorten is de conditie, de groei en de populatieopbouw goed, hetgeen wijst op goede voedselomstandigheden.

Beekforel

Het voorkomen van stromingminnende soorten als beekforel, barbeel, kopvoorn, serpeling, winde, rivierdonderpad, bermpje, riviergrondel en alver wijst op in het algemeen goede stromingseigenschappen. Niet alle trajecten zijn even geschikt voor

deze soorten. Voor sommige soorten zijn de waterkwaliteit en -temperatuur niet optimaal. voor andere is plaatselijk de stroomsnelheid te laag of te hoog, het substraat te zand- en slibrijk of is er te weinig beschutting in de vorm van waterplanten.

Dit laatste geldt met name voor de beektrajecten in het bos, waar de lichtinval beperkt is. In de benedenloop bij Swalmen komen uitgebreide velden waterplanten voor, met als belangrijkste soort de vlottende waterranonkel (de Vlaot in dialect).

De rijke visstand, het redelijk heldere water, de aanwezige steile buitenbochten en overhangende takken maken de Swalm tot een goed leefgebied voor de ijsvogel. Ook de grote gele kwikstaart, eveneens een typische beekvogel, komt langs de Swalm voor, hoewel in aantal sterk achteruitgegaan. Dat de Swalm onderdeel is van een redelijk goed functionerend ecosysteem is blijkt ook uit het voorkomen van een soort als de waterspitsmuis en uit waarnemingen van otter- en beversporen.

Terug naar begin hoofdstuk